Franciscus de bidder
Broeder Steven neemt ons mee naar de biddende Franciscus, voor wie bidden en leven onlosmakelijk verbonden waren.
Veel mensen voelen het verlangen om te bidden, om in contact te treden met het Hogere dat we God durven noemen. Het hoe van bidden blijkt echter vaak ingewikkeld. Want hoe doe je dat dan, bidden? Deze vraag is niet vreemd of kinderachtig. Wel integendeel. Zelfs in het Lucasevangelie benadert een apostel Jezus met de eenvoudige, maar fundamentele vraag ‘Heer, leer ons bidden’ (Luk. 11:1). Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden en bidden is feitelijk een beetje zoals fietsen, in de zin dat je het leert door te doen.
Dit artikel wil de mens die zoekt te bidden een beetje inspireren door te tonen hoe Franciscus van Assisi bad. Franciscus was namelijk een meesterbidder. Hij was iemand wiens hele leven zo van gebed vervuld was, dat het een gebed werd. Hij kon niet meer niet bidden en elk aspect van zijn leven werd daardoor in zijn gebedsleven opgenomen. Bidden was dus voor hem niet iets wat hij deed, maar was dat wat hij deed opdragen aan God. Op deze wijze kon hij bidden met heel zijn wezen. Hij kon echter ook bidden met de schepping.
Franciscus en broeder Leo door Adam de Coster uit 1626
.
Jezus Christus als schepper van de wereld door de Meesters van de goudranken uit het getijdeboek van Joseph Bonaparte uit 1415
.
Voor Franciscus van Assisi is de schepping niet zomaar het decor van het menselijke handelen. Voor hem is de natuur een levend geheel, bestaande uit levende wezens die een plaats en een waardigheid hebben voor het aangezicht van de levende God.
Deze waardigheid van het geschapen universum uit zich bijvoorbeeld in het feit dat Franciscus op het eind van zijn leven in zijn Zonnelied de verschillende elementen van de schepping liefkozend benoemt met de eretitels ‘broeder’ en ‘zuster’. Deze titels verhullen geen rozige sentimentaliteit, maar zijn een geloofsbelijdenis die Franciscus’ leven had gekleurd. Ze drukken het geloof uit dat alles van God komt. Als alles voortkomt uit de goddelijke scheppingsdaad, dan heeft alles dus dezelfde oorsprong en is dus verwant aan elkaar, elkaars broer en zus.
Instinctief trouw
Zijn leven werd ook bezield door een andere gedachte. In zijn vijfde wijsheidsspreuk of vermaning schrijft hij streng aan zijn volgelingen:
“Houd voor ogen, jij mens, op welke verheven hoogte de Heer God je geplaatst heeft. Hij heeft jou geschapen en gevormd: je lichaam naar het beeld van zijn geliefde Zoon en je geest naar diens gelijkenis. Alle schepselen onder de hemel dienen, erkennen en gehoorzamen hun Schepper naar hun eigen aard beter dan jij. Bovendien hebben niet de demonen Hem gekruisigd, maar jij hebt Hem gekruisigd, samen met hen. En je kruisigt Hem nog steeds door genoegen te vinden in ondeugden en zonden. Hoe kun je dan nog roemen?”
Deze tekst zou ons kunnen verbazen omdat erin sprake is van een paradox. De mens wordt op een voetstuk geplaatst, de hoogste onder de schepping, en tegelijkertijd eraf gegooid want eeuwig weerbarstig, eeuwig zichzelf beschadigend door onwil en foute keuzes. Een roemvolle mensheid die zichzelf niet roemen kan, een mensheid die de vorm kreeg waarin God mens zou worden maar die tegelijkertijd de incarnatie van God, dag aan dag, aan een kruis spijkert. Dat kruis dat de mens tot bevrijding en redding zal zijn. De mens die hoog is, valt en wordt weer opgericht. Tegenover deze mensheid die vastzit in een paradoxale cyclus van schoonheid en lelijkheid, hoogheid en laagheid, heiligheid en zonde, plaatst Franciscus de andere schepselen. Deze zijn niet zo verheven omdat ze niet zo’n intieme band met de schepper hebben, maar op hun manier zijn ze instinctief trouw aan de plaats die God hen bereid heeft. De mens die groot is, moet zich klein voelen tegenover de andere schepselen en nederig zijn.
Lofzangen
Dit beeld van Franciscus op de schepping, als een aan elkaar verwant geheel en als eerbiedwaardig en bewonderenswaardig, werd door hem in hoofdstuk 23 van zijn voorlopige regel als een gebed verwerkt:
“Almachtige, allerheiligste, allerhoogste
en verheven God,
heilige en rechtvaardige Vader,
Heer, koning van hemel en aarde,
wij brengen U dank omwille van Uzelf,
omdat Gij door uw heilige wil
en door uw eniggeboren Zoon met de Heilige Geest
al het geestelijke en lichamelijke geschapen hebt,
ons naar uw beeld en gelijkenis gemaakt
en in het paradijs hebt geplaatst.
Maar door onze eigen schuld zijn wij gevallen.
Wij brengen U dank,
want zoals Gij ons door uw Zoon geschapen hebt,
zo hebt Gij door uw waarachtige en heilige liefde
waarmee Gij ons hebt liefgehad,
Hem, die waarlijk God en waarlijk mens is,
geboren doen worden
uit de roemrijke, allerzaligste en heilige Maria, altijd maagd;
en zo hebt Gij gewild
dat wij, die gevangen waren,
vrijgekocht werden door zijn kruis en bloed en dood.”
In deze aanhef van een nog veel langer gebed, zien we Franciscus de bidder aan het werk. Allereerst is dit geen vraaggebed. Veel mensen willen bidden maar komen niet verder dan een aan God gerichte waslijst met vragen, wat vaak dat verlangen naar verbinding met God niet beantwoordt. De gebeden die van de ervaren Franciscus bewaard zijn gebleven zijn daarentegen allemaal lofzangen. God wordt uitgebreid in meanderende, poëtische tekst geprezen. We zien in deze gebedsregels dan ook een aanhef waarin Gods goedheid, schoonheid, grootheid en ontferming bezongen wordt. In deze manier van bidden hoeft Franciscus geen vragen te leggen. Hij weet zich tegenover een God die zijn noden kent en hem het beste toewenst. Wat Franciscus nodig heeft en verlangt is reeds gekend en aanwezig in het hart van die God. Het hoeft dan ook niet uitgesproken te worden. In de bekentenis te geloven in een God die liefde is, zit reeds het geloof verscholen dat God ons dan ook niet zal laten vallen.
Hierna vervolgt Franciscus door zijn kosmologie, zijn visie op het universum, te verwerken in een gebed. Hij prijst God erin als schepper van het al, waardoor alles broer en zus is aan elkaar. Hij benoemt de speciale positie van de mens: door Gods zoon gevormd, opdat God in Jezus een vorm zou kunnen aannemen, en gered door Jezus’ dood op het kruis. De motor van deze beweging wordt Franciscus onthuld als Gods “waarachtige en heilige liefde” die de gevangen mensheid bevrijd.
Wezenlijk bidden
Franciscus verweeft in zijn gebed zijn diepste overtuiging over mens en schepping. Zijn denken en zijn bidden zijn volledig verweven met elkaar. Elk aspect van zijn wezen wordt opgenomen in zijn gebed, hij bidt met elke molecuul. Franciscus de bidder nodigt ook ons uit om heel ons wezen, denken en doen in gebed te brengen, onderdeel te laten zijn van ons gebedsleven en daarbij, ondanks alles, vooral en onophoudelijk God te loven.
Br. Steven Cauchie
Dit artikel is eerder gepubliceerd in Francesco Magazine aflevering 3 (2026).





Francesco Magazine?

