Mijn buitenkant past bij mijn binnenkant

Broeder Hans-Peter vertelt wat de pij voor hem betekent.

Vaak laten mensen hun religieuze identiteit aan de buitenkant zien, bijvoorbeeld met een kruisje, een hoofddoek of een keppeltje. Franciscaanse kloosterlingen dragen een bruinkleurige pij met een touw om hun middel. We vroegen broeder Hans-Peter Bartels wat die pij voor hem betekent.  

Ik ken slechts twee plekken op aarde waar er nooit raar wordt opgekeken als ik in pij voorbijkom. Allereerst Assisi. Op die plek zijn natuurlijk vooral mensen die ‘iets’ hebben met Clara en Franciscus, dus die verwachten ook wel wat rondlopende pijen. En vaak denken ze dan ook nog dat de pij een ingebouwde Google Translate heeft, want ze spreken je gerust in alle talen aan… Die andere plek is Megen, ons eigen Assisi aan de Maas. Iedere Megenaar heeft weleens een pij of clarissenhabijt gezien. Die hele enkele keer dat iemand verbaasd kijkt, moet het wel een toerist zijn.

Als ik in pij over straat ga, ben ik me er altijd van bewust dat ik een beetje moet oppassen. In pij zal ik bijvoorbeeld nooit door rood oversteken, zelfs al komt er in de verste verte geen auto aan. Gewoon omdat ik iets representeer: de Kerk, de orde, mijn broeders. Ik wil niemand in een kwaad daglicht stellen. Zo ook die keer dat ik uitgleed over de natte treeplank van de trein en letterlijk de trein in viel… ik wist mij te beheersen tot een “o jee, dat doe ik niet goed”.

Zeg, heb ik iets van je aan?
De tijd dat ik mij bekeken voelde, ligt verder wel achter mij. Maar dat heeft even geduurd. Als ik er nu op terugkijk, ging het in drie fases. In fase 1 was ik me er zéér bewust van dat ik mijn pij droeg én dat mensen naar me keken. In die fase voelde ik mij behoorlijk naakt. Je denkt dat iedereen het maar gek vindt of er rare ideeën van krijgt. Daarna kwam fase 2, waarin ik mij nog wel bewust was van het kijken, maar zelf zo gewend was aan het dragen van de pij dat ik dat vergat. Dat is eigenlijk de gevaarlijkste fase. Ik herinner me dat ik een keer in de trein zat en de persoon tegenover mij wel heel lang naar me bleef staren. Bijna had ik “zeg, heb ik soms iets van je aan?!” geroepen, maar realiseerde mij net op tijd dat ik mijn pij droeg en dat dat alleen al om die reden een domme opmerking was geweest. Ik hield het daarom bij een vriendelijke groet. In fase 3 zag ik ook niet meer dat mensen naar me keken. Soms wijzen mensen met wie ik op stap ben me er nog wel op: “Zag je hoe die mevrouw naar je keek?” Het eerlijke antwoord is dan: “Nee”.

Viespeuk
Ik moet ook wel zeggen dat ik veel geluk heb gehad. Ik ben nooit echt negatief benaderd. Hooguit een enkele keer dat er vanuit een auto een opmerking naar me werd geslingerd. Negen van de tien keer versta ik het niet eens, maar geef ik een vriendelijke groet terug. Die paar keer dat ik het wel verstond, was het vaak iets als “hé, viespeuk”. Ik denk dat zo iemand daarmee wil refereren aan het seksueel misbruik in de Kerk. Het raakt me dan wel even, maar dat is voor mij vooral een verdriet dat men meteen daaraan denkt. Het is het slechte imago dat een minderheid – die priesters, broeders, zusters die de fout in zijn gegaan – de Kerk heeft aangedaan. Maar soms flitst dan de gedachte door mijn hoofd: ach joh, je kent me niet, waarom deze valse beschuldiging? Dat maakt me treurig, want mijn pij staat voor mij voor positieve waarden, zoals de vreugde van het geloof, mijn band met God en zijn mensen, waardering voor het leven en de natuur en de hoop dat het beter zal gaan op het gebied van vrede, gerechtigheid en het omzien naar elkaar en de schepping.

Broeder Hans-Peter

Mijn pij staat voor positieve waarden, zoals de vreugde van het geloof

Het zijn echter slechts korte momenten, ik haal er al gauw mijn schouders over op. Het meest negatieve dat me ooit overkwam, is inmiddels jaren geleden. Een kindje vroeg aan zijn of haar (dat weet ik niet meer) moeder “wat is dat?” (NB opvallend vaak ben ik een ‘wat’ en geen ‘wie’), waarop de moeder antwoordde: “Dat is een moslim, die komt hier de boel opblazen”. Toen stond ik echt met mijn mond vol tanden. Er flitste door mij heen dat ik moest zeggen dat ik geen moslim was, maar ook dat niet elke moslim de boel komt opblazen en vooral dat ze haar kind niet zo bang moest maken. Toen was het moment al voorbij en waren ze in de massa verdwenen.

Ik ben die ik ben

De meeste reacties zijn heel positief. “Bestaat dat nog?” is goed bedoeld, maar pijnlijk. Ja, we zijn in Nederland helaas grotendeels uit het straatbeeld verdwenen. Maar vaak genoeg delen mensen uit het niets hun levensverhaal met mij of durven mij iets te vragen. Zoals die keer dat een dame van in de tachtig in Duitsland in paniek was omdat haar trein vertraging had en ze haar overstap had gemist. Mij durfde ze om hulp te vragen, niet de medewerker van Deutsche Bahn. Dat vind ik dan geweldig; ik heb blijkbaar iets benaderbaars, misschien iets kwetsbaars. Ik ben die ik ben. Of zoals een oud-collega zei toen ze me voor het eerst in pij zag: “Nu past jouw buitenkant weer bij je binnenkant”.

Br. Hans-Peter Bartels

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Francesco Magazine aflevering 4 (2026).

Gerelateerde nieuwsberichten

Pixabay
Francesco Magazine?