Wilmer Smeenk opnieuw voorzitter van economische commissie

In november jl. is Wilmer Smeenk, werkzaam bij de minderbroeders franciscanen, herkozen tot voorzitter van de CIRE: de Internationale Commissie voor Economische Zaken.

De vorige commissie

Wilmer Smeenk, sinds een jaar economisch adviseur/hoofd van de administratieve dienst van de minderbroeders franciscanen, is in november jl. herkozen tot voorzitter van de CIRE, de Internationale Commissie voor Economische Zaken. In het Italiaans klinkt dat nog veel mooier: Commissio Internationalis de Re Œconomica. De commissie is actief sinds 2016 en bestaat verder uit Les Quick, generaal econoom br. John Puodziunas, br. Jimmy Zammit (generaal definitor) en br. Trevor D’Souza OFM uit India. Wilmer is sinds januari 2016 voorzitter van de CIRE. Hij vertelt hoe dat zo kwam.

“Het begon ermee dat ik Rob Hoogenboom eens bij Ajax zag. We kregen contact en na een praatje over Ajax zei ik: ‘Ik ben jurist en ik weet iets van kerkrecht. Maar ik werk als bankier.’ Ik zei dat ik hem wel een keer kon helpen als hij ergens mee zat. Hij zei direct dat hij wel iets had. Dat was in 2013. In 2015 was er generaal kapittel in Assisi en Rob was daarheen als provinciaal. Toen kwam de grote ellende aan het licht. Er bleek geld weg te zijn, investeringen waren uit de hand gelopen. Dat is de reden dat de commissie nieuw leven is ingeblazen. Het probleem was zo groot dat de broeders aangaven dit niet zelf te kunnen oplossen, maar externen, leken, nodig hadden. Er moest een commissie komen. Het generaal definitorium, het hoofdbestuur van de orde in Rome, werd gekozen, met Michael Perry als minister-generaal. Rob zei tegen hem dat hij wel iemand kende voor de commissie. Toen Michael in het najaar in Nederland was, ging ik een keer met hem praten. Toen ben ik benoemd.”

“Ik wilde er eigenlijk ook een vrouw bij hebben”

“De commissie was facultatief; ik weet niet of hij ooit eerder actief is geweest. Alle checks and balances waren op dat moment weg uit de orde. Investeringen in het hotel en het auditorium waren totaal uit de hand gelopen. De bankrekening was gewoon leeg. En er was 27 miljoen bankschuld, die in principe direct opeisbaar was. De toestand is uitgezocht door met name de mensen in Rome, door John Puodziunas, die nu nog steeds generaal econoom is, en door een extern team. Daarna moest de commissie kijken hoe ze die bankschuld zou terugbetalen. De commissie werd samengesteld uit twee generaal definitoren, de generaal econoom, en twee leken: een Amerikaan en ik.”

“In januari 2016 zaten we daar de eerste keer aan tafel op de generale curie. En ik zag alleen maar witte, middle aged men. Maar waar groeit de orde? In Afrika en Azië. Ik zei: dit kan niet, we hebben echt spreiding nodig. Ik wilde er eigenlijk ook een vrouw bij hebben, maar dat is nog steeds niet gelukt. Toen hebben we er een broeder uit India bij gekregen met een achtergrond in accounting. Dat was vijf jaar lang het team. Toen is er een generaal definitor weggegaan en de andere is vervangen door een nieuwe. We hebben nu twee termijnen van drie jaar gehad. Je mag ook nog een derde termijn. Ze hebben gevraagd of ik wederom wil voorzitten. Dit is mijn derde en laatste termijn.”

Aflossen van bankschuld

“We zien elkaar twee keer per jaar in Rome, tijdens fysieke vergaderingen van twee dagen. En twee keer per jaar doen we een uitgebreide conference call van een paar uur waarin we de updates bespreken en plannen maken. Onze eerste taak was dus: hoe komen we van die bankschuld af? Waar gaan we die 27 miljoen van terugbetalen? Alle provincies in de orde bedruipen zichzelf. Ze dragen af aan Rome voor het in stand houden van het federaal bestuur. Dat heeft kosten. En het hoofdkantoor, een heel groot gebouw, heeft kosten. Het bestuur dient de orde wereldwijd en distribueert kennis en middelen. De generale curie, waar de meeste broeders in Rome wonen, had na die crisis nog nauwelijks geld.”

“We hebben erover nagedacht of we die 27 miljoen ergens konden lenen, bijvoorbeeld bij een andere orde – zodat we geen bank meer zouden hebben bij wie we zaken moesten doen. Dat was best lastig. Toen bedachten we dat we toch maar bij alle provincies moesten gaan vragen of ze ons iets konden lenen, of nog beter: schenken. We zijn begonnen bij de meest vermogenden, omdat we die kenden. Over het algemeen zijn dat de provincies in de westerse landen. Daarna hebben we alle andere provincies en de custodieën aangeschreven of ze mee konden doen. De Nederlandse provincie deed ook mee. En niet kinderachtig. De Vlamingen deden nog beter mee door een schenking te doen. Later heeft Vlaanderen de lening van Nederland overgenomen en is het bedrag ons geschonken. Uiteindelijk hebben we in vrij korte tijd, anderhalf jaar, de hele schuld afgelost. Vrijwel iedereen heeft zijn deel bijgedragen.”

Auditorium

Opbouw: controle en continuïteit

“Toen zijn we weer gaan opbouwen. We hebben gekeken hoe we konden voorkomen dat dit soort ellende nog eens zou gebeuren. We moesten checks and balances inbouwen. Wie besluit wat? Hoe werkt betalen? Wat hebben we daarvoor nodig? En wie controleert dat eigenlijk? De commissie doet dat wel, maar ook op basis van wat ons aangereikt wordt. We hebben tegenwoordig een externe accountant. We hebben het hele proces van onze financiën laten bekijken om inzichtelijk te maken waar we risico lopen. Nu controleert de accountant ook de jaarrekening. Behalve voor de controle van de boeken moeten we gaan zorgen voor continuïteit. We hebben twee jaar geleden een leek aangenomen als controller. Zij wordt niet vervangen na zes jaar; zij maakt geen deel uit van de commissie. Zij leidt de administratie en doet het dagelijkse werk. Nu is de vraag hoe we de opvolging binnen de commissie gaan doen. We moeten gaan kijken waar we goeie mensen vinden.”

Nieuwe uitdaging is de toekomst

”We zijn ook bezig met de nieuwe uitdaging: de financiële situatie in de toekomst. Het systeem van bijdragen aan de generale curie gaat uit van hogere bijdragen door rijke landen. Die moeten bijdragen per eeuwig geprofeste broeder. Maar de rijke landen hebben een afnemend aantal broeders en de arme landen betalen per geprofeste broeder minder, dus uiteindelijk ontstaat er een gat. We kijken nu naar de financierbaarheid van de generale curie op de langere termijn. We zijn vastgoed in Italië aan het afstoten dat we toch niet gebruiken – omdat we de locatie niet meer gebruiken of omdat we het een keer geërfd hebben er geen belang bij hebben. Verder kijken we hoe we het hotel en het audiotorium, ons congrescentrum, kunnen optimaliseren in gebruik. We hebben ergens nog een parkeergarage waarvan we de contracten heronderhandeld hebben. En we kijken naar bezuinigingen en efficiency-maatregelen. Het nieuwste plan is om te kijken of we weer geld bij elkaar kunnen krijgen om te gaan beleggen en op den duur met de opbrengst ervan de kosten van de generale curie kunnen dekken.”

“We gaan er vanuit dat in Nederland 25 à 28 broeders overblijven. De afnemende bijdrage van de rijkste landen is het centrale probleem. De financiële situatie is nu gezond genoeg. Het gaat steeds beter, maar het risico wordt dus ook steeds groter omdat de aantallen broeders steeds afnemen in de ‘goede’ landen. Dat is een systematisch gevaar. Ons mission statement is wat veranderd in de loop van de jaren. Eerst moesten we het concrete probleem oplossen. Nu kijken we wat we voor de toekomst kunnen betekenen en wat we in stelling kunnen brengen om ervoor te zorgen dat we het beter achterlaten dan we het aantroffen. Ons plan, ons mission statement is wel vastgelegd. Nu gaan we het weer iets verbreden. We hebben het vorig jaar voorgelegd aan het generaal kapittel en dat heeft ermee ingestemd. Nu zijn we met het generaal definitorium in overleg of zij nog wensen hebben die wij misschien kunnen verwezenlijken. We kijken altijd of ons doel aangepast, aangescherpt moet worden.”

Inspirerend

“Wat voor mij aantrekkelijk is aan het commissiewerk, is dat het inspirerend is om in een andere omgeving bij te dragen aan iets wat groter is dan jezelf. En je leert er ook weer van omdat je met mensen uit andere culturen werkt. Je leert hoe je naar de dingen kijkt, maar ook hoe je met elkaar dingen verder kunt brengen. Omdat je jezelf ontwikkelt kun je ook weer dingen meenemen uit je eigen werk. En het is niet echt verwonderlijk dat ik nu uiteindelijk ook hier zit. Als ik niet zes jaar daar had gezeten was het niet onmogelijk geweest, maar het was wel logischer nu. Onbewust verander je erdoor als je zo regelmatig met mensen uit andere landen werkt. Het is heel bijzonder. Je reflecteert ergens op. Je denkt nog eens na waarom je iets anders doet dan de ander. Je ontwikkelt jezelf echt door die bredere ervaring.“

“Ik verheug me erop er weer heen te gaan half mei. Heel leuk om iedereen weer te zien. De laatste keer was eind oktober 2019, dat is 2,5 jaar geleden. Toen kwam corona. Het is prachtig om weer in Rome te zijn. Als je wordt opgehaald van het vliegveld begint het Italiaanse leven weer. Je zit ook in het monastieke ritme. ’s Morgens om 7 uur het ochtendgebed in de kapel, dan de eucharistieviering en daarna ontbijten. En dan aan het werk tot de lunch, ‘pranzo’. Dan weer werken tot het avondgebed om 19 uur. En dan diner. Zo is het ritme die dagen. Ik ga elke keer vijf dagen, woensdag heen en zondag terug. Het is echt heel leuk, ook dat je mee mag doen in het leven van de broeders. Je zit in het koor van de kerk tussen hen in. Het is ook geestelijk inspirerend om daar te zijn.”

“Voor de Nederlandse provincie is het mooi dat we kunnen bijdragen aan het grotere geheel: Theo (red: Theo van Adrichem ofm) als president van COTAF en ik in minder belangrijke mate, als voorzitter van de CIRE. Het strekt wel tot aanbeveling dat je deelneemt aan het internationale geheel. We worden wel kleiner, maar we doen nog wat. Ik denk wel dat het afstraalt op de Nederlandse provincie.“

Gerelateerde nieuwsberichten