“In de missie heb ik Jezus als vriend leren kennen”
Nico Dister ofm over zijn roeping en zijn ervaringen in de missie
Br. Nico Dister werkte maar liefst 52 jaar in de missie in West-Papoea, Indonesië. Sinds 2024 woont hij weer in Nederland. Wat beweegt iemand om én franciscaan én missionaris te worden? Br. Nico kijkt terug op zijn roeping en zijn ervaringen in de missie.
Voor br. Nico Dister was het al vroeg duidelijk dat hij ‘een man van de kerk’ was. Geïnspireerd door de Latijnse mis speelde hij als kind al priester. “Met de broertjes en zusjes als de beminde gelovigen,” lacht hij, om daar, enigszins gniffelend, aan toe te voegen: “Maar die roeping moest natuurlijk nog wel flink uitgezuiverd worden.” Serieuzer vervolgt hij: “De motivatie was in het begin nog niet wat hij moest zijn. Maar ik heb mij altijd aangesproken gevoeld door de verhalen in de synoptische evangelieën. Dus als Jezus zei tegen die vissers, ‘volg Mij’, vond ik dat dat ook tot mij gericht was. Ik moest óók Jezus volgen en ik heb dat met plezier gedaan. Ja, zo heb ik de roeping beleefd.” Hij herinnert zich ook een roeping van een broeder in de missie die ooit was begonnen omdat hij de sandalen van de franciscaanse broeders zo mooi vond. ‘Ook dat moest nog flink uitgezuiverd worden,’ lacht hij, maar zonder oordeel: interesse, een eerste stapje in de richting van roeping, begint nu eenmaal érgens. Roeping heeft volgens Nico ook iets te maken met persoonlijke interesses, met dingen die bij je passen. “Kijk, zoals ik geleefd heb, dat was zogezegd helemaal mijn pakkie-an, het was mij op het lijf geschreven. Stel dat iemand roeping ervaart, maar die roeping op een manier denkt te moeten invullen die helemaal niet bij hem of haar past, dan kan en moet dat gecorrigeerd worden. En daar zijn mensen voor nodig. Iedereen die roeping ervaart, zou ik aanraden om erover in gesprek te gaan met mensen die hij of zij vertrouwt. Zij kunnen je helpen om de roeping verder uit te zuiveren.”
Franciscanen en jezuïeten
In het leven van Nico zijn er veel mensen geweest die hem, direct of indirect, op enig moment een duwtje in de juiste richting gaven. Toen hij vijftien was en op het gymnasium zat, zei zijn godsdienstleraar, een jezuïet, tegen hem dat hij in de wieg was gelegd om jezuïet te worden. “Die pater was voor mij een identificatiefiguur. We waren met hem en een groep jongeren naar Lourdes geweest… maar toch dacht ik bij mezelf: hoe kan die man dat nou weten? Ik voelde me namelijk al heel erg aangetrokken tot de franciscanen, onder meer doordat ik ook les had van een broeder franciscaan. Ook die had ik heel hoog zitten. Zodoende ben ik me gaan verdiepen in de levens van de stichters van deze ordes. Franciscus sprak me meer aan dan Ignatius, die ik wat militaristisch vond. De franciscanen deden toen heel divers werk, daar hadden ze ook boekjes over. De een was kermispastor, de ander pastor in politiek Den Haag, weer een ander werkte in de Stokstraat in Maastricht, destijds de grootste achterbuurt die je je in kon denken… Pater Castorius was dat. Die liep ’s ochtends met een bel door de straat om de mensen wakker te maken. Dus ik dacht: zulk mooi, divers werk, en zo’n stichter… én de franciscanen werkten in de missie, wat voor mij heel belangrijk was. Want ik wist van het begin af aan dat ik in de missie wilde werken. Dus de roeping om franciscaan te worden en in de missie te gaan werken, dat ging voor mij eigenlijk allemaal gelijk op.”
“De roeping om franciscaan te worden en in de missie te gaan werken, dat ging voor mij eigenlijk allemaal gelijk op.”
Gelofte van gehoorzaamheid
Toch was het geen uitgemaakte zaak dat Nico als franciscaan in de missie zou gaan werken. Toen hij in het vijfde jaar van het gymnasium naar het missiecollege in Katwijk overstapte, werd hij daar fijntjes gewezen op de gelofte van gehoorzaamheid: als hij in Nederland nodig zou zijn, dan zou hij in Nederland blijven. Hoe hij uiteindelijk toch in de missie terechtgekomen is, vindt hij nog steeds “een prachtig verhaal”. Na zijn priesterwijding kreeg hij de opdracht om filosofie te gaan studeren, zodat hij daar les in zou kunnen gaan geven. “Er was eerst sprake van dat ik naar Ottowa, Canada, zou gaan omdat ze daar toen alle bronteksten op microfilm hadden staan – destijds een technisch hoogstandje. Maar ja, helemaal naar Canada… Ik vroeg waar de originele boeken stonden. Dat was in Leuven, en dus ging ik daar studeren. Slechts dertig kilometer van Maastricht, waar ik geboren ben. Dus nee, niet naar de missie, máár…”
Onverwachte wendingen
Tegen de tijd dat br. Nico klaar was met zijn studie, was er veel veranderd: “De opleidingen in Nederland waren gefuseerd en zodoende was er een overschot aan filosofen. Er waren contacten met Indonesië, waar een filosofische hogeschool werd gesticht die tevens grootseminarie was. Dus toch naar de missie? Ja, alhoewel… de school was een samenwerkingsverband van jezuïeten, franciscanen en wereldheren. En nu hadden de jezuïeten en de franciscanen met elkaar afgesproken dat de jezuïeten het filosofie-onderwijs voor hun rekening zouden nemen, en de franciscanen het theologie-onderwijs. Ik paste net niet in dat plaatje. Men schatte in dat dat in het begin niet zo erg zou zijn omdat de jezuïeten op dat moment nog niet zo veel filosofen beschikbaar hadden, maar op de langere termijn lag dat anders. Zodoende ben ik eerst nog een paar jaar theologie gaan studeren in Münster, bij Karl Rahner, de autoriteit van de eeuw. Ik heb het echter niet afgemaakt, want ik was toen al bezig met mijn proefschrift in Leuven. In 1971 werd mijn moeder ernstig ziek en ik wilde niet weg voordat zij overleden was. Ze stierf in 1972 en in datzelfde jaar ben ik gegaan.” Br. Nico zou 52 jaar lang in de missie blijven werken als docent en rector. “Ik ben door een medebroeder ook wel eens een salonmissionaris genoemd, want het echte opbouwwerk was al gedaan. De school en alles stond er al. Mijn enige rimboe-ervaring bestaat uit eucharistievieringen met Kerstmis en Pasen, dan trokken we naar afgelegen gebieden. Voor de mensen die daar woonden, waren dat de enige vieringen.”
“Dus toch naar de missie? Ja, alhoewel…”
Missiewerk: geven en ontvangen
Br. Nico heeft het missiewerk ervaren als een verrijking van zijn geloofsleven. “Je gaat er natuurlijk naartoe met de idealistische gedachte dat je er van alles gaat brengen: in de eerste plaats natuurlijk de Blijde Boodschap, maar ook heel veel andere dingen. Maar dan merk je gaandeweg dat je er ook ontzettend veel voor terug krijgt. Met de plaatselijke bevolking kon ik het heel goed vinden. De studenten waren ook erg gemotiveerd. Dat was natuurlijk heel fijn, maar het mooiste is dat ik als gelovige van hen nieuwe inzichten heb gekregen. In de missie heb ik Jezus echt als vriend leren kennen. Wij westerlingen zien Jezus vooral als de Christus, als de Zoon van God, als iemand die veel hoger staat dan wijzelf. Voor de Papoea’s was Jezus veel meer een vriend op een gelijkwaardig niveau: iemand die je niet alleen maar aanspreekt tijdens een gebed, maar gewoon een persoon waar je mee kunt kletsen, samen dingen mee doet, ook wel grapjes mee kunt maken. Dat brengt Hem heel erg dichtbij, maakt de relatie met Hem veel persoonlijker.”
Simone Ooms
Een ingekorte versie van dit interview is gepubliceerd in Francesco Magazine aflevering 2 (2026).







Br. Jo / Fer