Sint-Maarten en Sint-Franciscus
Een roeping van naastenliefde
Vandaag wordt Sint-Maarten of Sint-Martinus van Tours gevierd. Deze monnik-bisschop uit de vierde eeuw heeft een opvallende en onverwachte link met Franciscus van Assisi.
Sint-Maarten deelt zijn mantel – door Antoon van Dyck uit 1621.
Als Thomas van Celano in 1228 van paus Gregorius IX de opdracht krijgt het levensverhaal van Franciscus van Assisi op te tekenen, dan wordt van hem minder een biografie dan een hagiografie verwacht. Een hagiografie is een tekst waarin de heilige als heilige wordt voorgesteld. Mindere karaktertrekken worden wat weggestopt, aspecten van heiligheid moeten ook in de jeugdjaren opduiken en de biografische gegevens van de heilige worden gestructureerd rond een moralistisch verhaal dat een les vormt voor de lezer. In het schrijven van zijn drie levensverhalen van Franciscus laat hij zich onder andere sterk beïnvloeden door de hagiografie van Sint-Maarten door Sulpicius Severus. We kunnen deze manier van werken zien als we kijken naar het beroemde verhaal van Franciscus en de melaatse.
Franciscus van Assisi begint zijn testament met de woorden:
“De Heer heeft mij, broeder Franciscus,
op de volgende manier het begin gegeven van een boetvaardig leven:
toen ik in zonden leefde,
leek het me te bitter om melaatsen te zien
en de Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht
en ik heb hun barmhartigheid bewezen.
En toen ik bij hen wegging,
was wat me bitter leek
voor mij veranderd in zoetheid naar ziel en lichaam;
en ik was er daarna nog een tijdje vol van
en heb de wereld verlaten.”
Deze zinnen maken het duidelijk dat een of meerdere ontmoetingen met melaatsen een essentieel aspect waren van de roeping van de heilige Franciscus. Toen Thomas van Celano aan zijn eerste biografie werkte, moest hij dit dus wel verwerken in zijn tekst, terwijl het testament geen details onthult van de eigenlijke ontmoeting of ontmoetingen waaraan Franciscus zijn roeping ontleende. Celano gaat dus te rade in de hagiografie van Sint-Maarten en vindt daar het beroemde verhaal van Maarten die in het Romeinse leger opgenomen een bedelaar ontmoet die in hartje winter weinig of geen klederen draagt. Dus schenkt Maarten de bedelaar de helft van zijn mantel. In het betuigen van naastenliefde aan de concrete medemens (of is het toch Christus zelf?) mag de soldaat Maarten zijn roeping tot monnik vinden.
Conform dit verhaal verwerkt Celano de gegevens uit het testament tot een ontmoeting tussen Franciscus en een concrete melaatse (of is het toch Christus zelf?) Het “bewijzen van barmhartigheid” wordt net als in het verhaal van Maarten een symbolische handeling. Immers, de halfnaakte bedelaar uit het verhaal van Martinus heeft niet zo heel veel aan een halve mantel in het gure winterweer. De daad is echter een buitengewoon sterk symbool voor het weggeven van overvloed, als een daad van naastenliefde die voor iedereen openstaat. Ook Celano laat Franciscus de melaatse niet concreet met geld of goederen helpen. Franciscus daalt af van zijn paard waardoor hij op gelijke voet komt te staan met de melaatse, de minste onder de minderen, en raakt de onaanraakbare aan. Franciscus kust hem en wordt zo de gelijke met deze mindere, wordt zelf een mindere. Het hele programma van Franciscus, minderbroeder zijn, zit vervat in deze scène die een verbeelding is van een reële roepingservaring uit het leven van de heilige.
Het doel van de hagiograaf bestaat erin de lezer een les voor te houden, deze iets te leren. Uit de besproken verhalen van Sint-Maarten en Sint-Franciscus lijkt het primair de verlangens van de schrijvers te zijn geweest hun lezers duidelijk te maken dat wie God ontmoeten wil dat het beste kan doen door de minste medemens te zien, te ontmoeten en naastenliefde te betuigen.
Sint-Maarten deelt zijn mantel door Antoon van Dyck uit 1621.








Pexels / Andre Moura